Geschiedenis
IV. ONTSTAAN
VAN DE DORPEN IN HET LAND VAN HOOGSTRATEN (11de –14de eeuw)
Het markgraafschap Antwerpen werd waarschijnlijk in de 11de eeuw opgericht door
keizer Hendrik II, nadat de laatste graaf van de gouw Toxandrië, Ansfried, die
in 994 bisschop van Utrecht werd, zijn goederen afstond. Hendrik II
constitueerde uit deze gebieden het markgraafschap Antwerpen ter verdediging van
de westelijke grens van zijn rijk.
Het bestuur over dit gebied werd toevertrouwd aan de hertog van Brabant. Deze
vroegere graven van Leuven streefden reeds lange tijd naar de hertogelijke titel
in Brabant. In 1106 kreeg Godfried van Leuven de titel hertog van
Neder-Lotharingen van keizer Hendrik V, waardoor ze tevens hun gebied konden
vergroten met de heerlijkheden Herstal en Aken, maar vooral met het
markgraafschap Antwerpen.
Het dient echter benadrukt te worden dat de hertogelijke titel aanvankelijk
weinig inhoud had. De hertog had weinig gezag in de mark Antwerpen. Het
Kempenland bestond vooral uit arme gronden met een aantal bewoningskernen zonder
plaatselijke heren of adel. Het was in deze periode tussen de 11de en 13de eeuw
dat het land van Hoogstraten werd bevolkt en er dorpen ontstonden. Wel waren er
een aantal enclaves, waarop de hertog geen enkel recht kon laten gelden en waar
lokale heren heersten die volledig onafhankelijk optraden.
Hier kreeg de hertog te maken met de heer van Breda die over een min of meer
territoriaal aansluitend complex van grootgrondbezittingen beschikte. De heren
van Breda beschikten echter niet over het recht om de onbewoonde woeste gronden
te ontginnen. Tot deze woeste gronden behoorde vermoedelijk ook het land van
Hoogstraten. De hertog, de Brabantse edelen en kerken hebben in dat woeste
gebied tal van nieuwe nederzettingen kunnen stichten en op die manier dat gebied
aan zich kunnen binden.
Bovendien slaagde de hertog erin om zich door de heer van Breda als leenheer te
laten erkennen. Breda werd immers bedreigd door de graaf van Holland, Diederik
VII (1190-1203), die meende aanspraken op Breda te hebben. Om zich daartegen te
beschermen zocht de heer van Breda steun bij de machtige hertog van Brabant,
waarvoor hij in ruil de hertog als leenheer erkende. De overwinning van de
hertog was compleet toen de graaf van Holland een verdrag met hem sloot in 1200,
waarbij hij afstand deed van al zijn aanspraken op het land van Breda.
Uit de grote ontginningsbewegingen in de 12de en 13de eeuw trachtte de hertog
zoveel mogelijk voordeel te halen en zijn rijkdom en macht in deze gebieden uit
te breiden.Hij stimuleerde de vorming van nieuwe nederzettingen, gaf privileges
(speciale voorrechten, waardoor het aantrekkelijk werd om in die nieuwe dorpen
te gaan wonen).
De ontginningsbeweging vond plaats in drie fasen. De eerste fase werd
veroorzaakt door een grote bevolkingstoename, die na het jaar 1000 in geheel
West-Europa kan geconstateerd worden. Het bestaande landbouwareaal bleek niet
meer voldoende en de dorpsbewoners zorgden zelf voor uitbreiding van de bebouwde
gronden. De mensen gingen in periodes van grote bevolkingsgroei en tekort aan
landbouwgrond naar nabijgelegen plaatsen, waar de grond zich leende voor
landbouw en veeteelt en stichtten er gehuchten die eerst nog afhankelijk bleven
van het moederdorp. Dit gebeurde vanaf het einde van de 11de eeuw.
Reeds in de Merovingische en Karolingische tijd, nog vóór er sprake was van
bewoning in het land van Hoogstraten, bestond het dorp Vorsel al, dat na 1400
bekend werd als Rijkevorsel. Uit dit moederdorp Vorsel zouden twee nieuwe
nederzettingen zijn ontstaan, nl. Wortel en Hoogstraten. Dat gebeurde in de
eerste fase van de ontginningsbeweging.
De groeiende bevolking van Vorsel had niet meer voldoende landbouwgrond om in de
behoeften te voorzien en stichtte nieuwe gehuchten, Wortel en Hoogstraten.
In een tweede fase werden de nieuwe, kleine gehuchten verder uitgebouwd en
ontstonden ook nieuwe nederzettingen. Na verloop van tijd scheurden de gehuchten
zich af van het moederdorp en werden zelfstandig op kerkelijk en wereldlijk
gebied.
Deze tweede fase vond plaats in Brabant vanaf het midden van de 12de eeuw en
werd van bovenaf gestimuleerd door wereldlijke en kerkelijke
grootgrondbezitters. Het doel was de vergroting van de macht en rijkdom van de
initiatiefnemers.
Zo staat het vast dat de abdijen die in het land van Hoogstraten aan
ontginningswerk deden de Benedictinessenabdij van Thorn in het huidige
Nederlands Limburg, en de Norbertijnenabdij Sint Michiels te Antwerpen waren.
De abdij van Thorn bezat goederen in Meerle en Minderhout. Beide dorpen waren
dochternederzettingen van Baarle, waar de abdij een uitgestrekte laathoeve had.
De abdij van Sint-Michiels had bezittingen in Meer, Minderhout, Wortel en
Hoogstraten. Verder kon zij beschikken over talrijke laten om haar goederen in
de dorpen te laten bewerken. In Minderhout had ze een laathof, dit is een
rechtbank waar recht werd gesproken door en over de halfvrije boeren die haar
hoeven bewerkten.
De hertog van Brabant bevorderde de ontginning van het land van Hoogstraten op
twee manieren. Ten eerste stelde hij de horigen van de Sint-Michielsabdij vrij
van belastingen en diensten en verbond hij er zich toe de goederen van de abdij
te beschermen. Ten tweede zorgde hij voor de opkomst van een handelscentrum door
aan het dorp Hoogstraten vrijheidrechten (o.a. marktrechten) te schenken.
Alles wijst erop dat Hoogstraten rond 1210 een onbeduidend plaatsje was dat door
de hertog tot Vrijheid werd gebombardeerd omdat het aan de noordelijke grens van
zijn hertogdom lag vlak tegen het territorium van de heer van Breda en ideaal
geplaatst op de handelsweg Leuven-Breda. Door mensen naar dit plaatsje te lokken
versterkte hij zijn positie in het grensgebied.
Een Vrijheid is een juridische term voor een gebied waaraan bepaalde vrijheden,
zoals bijvoorbeeld het houden van markten, zijn toegekend. De verheffing van
Hoogstraten tot Vrijheid met alle economische voordelen vandien veroorzaakte een
economische bloei. De Vrijheid Hoogstraten mocht een wekelijkse markt houden en
alle inwoners van het land van Hoogstraten waren verplicht hun waren eerst op de
markt van Hoogstraten aan te bieden vooraleer zij ze elders aan de man mochten
brengen.
Meer was blijkbaar het enige dorp van het land van Hoogstraten dat niet ontstond
als gehucht van Baarle of Vorsel. Het werd op het einde van de 12de eeuw
waarschijnlijk door de heer van Breda aan één van zijn zonen geschonken als
‘allodium’ Deze zoon en zijn nazaten zorgden voor de ontginning van een deel van
het dorp.
Terwijl Meerle-centrum werd bevolkt vanuit Baarle, werd Meersel gekoloniseerd
door mensen van Meer. Meersel heeft net als Hoogstraten de vorm van een
straatdorp en ontstond langs de handelsweg Leuven-Breda. Het is pas later dat
een deel van Meersel bij Meerle ging horen. Het Meerlese gedeelte van Meersel
behoorde tot de goederen van de abdij van Thorn. Het Meerse gedeelte van Meersel
behoorde aan de heren van Meer en op kerkelijk gebied aan de abdij van Sint
Michiels. De opsplitsing van het gehucht Meersel tussen twee verschillende
dorpen bleef gedurende de ganse Middeleeuwen bestaan.
Het resultaat van de ontginningen was dat het land van Hoogstraten een
landbouwgebied werd, waar zich een landbouwhandel ontwikkelde naar Hoogstraten
toe en een met die landbouwhandel verbonden nijverheid. Deze ontginningsfase
heeft zeker een groei van de bevolking tot gevolg gehad en veroorzaakte de derde
ontginningsfase tussen 1220 en 1250, waarin veel uitgestrekte bossen werden
ontgonnen. Deze laatste fase had hetzelfde systematische karakter als de
voorgaande fase. Bijna in alle streken stopte ze in de tweede helft van de 13de
eeuw.
Onder de heren van Hoogstraten die zich daar omstreeks die tijd vestigden werd
het dorp een echt handelscentrum. De gunstige ligging op de weg van de
Hanzesteden naar Vlaanderen, halverwege tussen ’s Hertogenbosch en Antwerpen, en
de aanwezigheid van het kasteel hebben hierbij zeker hun rol gespeeld. Op die
manier slaagde Hoogstraten er in om reeds in de 13de en 14de eeuw het moederdorp
Vorsel te overvleugelen en de leidende rol op zich te nemen in het land van
Hoogstraten.
De heer van hoogstraten, Jan I van Cuyk (1303-1357), die de dorpen Hoogstraten,
Vorsel en Wortel in leen hield van de hertog, slaagde er tijdens de eerste helft
van de 14de eeuw in om Meer, Meerle en Minderhout bij zijn gebied in te lijven.
Aldus werd het land van Hoogstraten gevormd. Toen Minderhout in de 14de eeuw
door de heer van Hoogstraten werd ingepalmd, werd het dorp in twee gesplitst en
bleef Castelré tot het land van Breda behoren.
V. DE BLOEIPERIODE
Tot 1518 was het land van Hoogstraten een heerlijkheid. Pas in het begin van de
16de eeuw zou Hoogstraten zich ontwikkelen tot een handelsstad die op
economisch, politiek en religieus gebied een duidelijke dominerende invloed had
op het grondgebied van de huidige Noorderkempen.
Via Frank van Borselen kwam de heerlijkheid in handen van de familie van
Culemborg. Tijdens het bewind van Antoon van Lalaing en Elisabeth van Culemborg
werd het Land van Hoogstraten door Karel V verheven tot graafschap. Hoogstraten
kende toen zijn grootste bloeiperiode. De eerste graaf en gravin behoorden tot
de voornaamste adel in de Nederlanden, Antoon was eerste raadsheer en Elisabeth
hofdame van Margareta van Oostenrijk.Zij lieten de kerk en het stadhuis bouwen,
het kasteel en het Clarissenklooster werden herbouwd.
In 1568 brak de tachtigjarige oorlog uit, waaronder Hoogstraten zwaar heeft
geleden - bezetting en belegering van het kasteel, plunderingen door troepen -
en waarvan het zich nooit helemaal heeft hersteld.
Tot 1709 bleef het graafschap in handen van de familie de Lalaing, daarna kwam
het in handen van de familie van Salm Salm. In 1740 werd Hoogstraten tot
hertogdom verheven, maar amper een halve eeuw later, tijdens de Franse
overheersing, verloor het de titels van stad en hertogdom.
VI. HERENIGING Door de fusies van gemeenten in 1977 werd Hoogstraten weer
samengevoegd met de omliggende dorpen Meer, Meerle, Meersel-Dreef, Minderhout en
Wortel, en sinds 1985 mag Hoogstraten zich weer stad noemen.
(Bron: Jaarboeken Hoogstratens
Oudheidkundige Kring)
|